Artikel Bijlage 1
Vervanging van bijlage I bij het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Bijlage I. Criteria betreffende de screening als vermeld in artikel 4.3.5. en 4.3.6.
A. De criteria voor plannen en programma’s overeenkomstig artikel 4.3.5 zijn:
1. De kenmerken van plannen en programma's, in het bijzonder gelet op:
- a)de mate waarin het plan of programma een kader vormt voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden, alsook wat betreft de toewijzing van hulpbronnen;
- b)de mate waarin het plan of programma andere plannen en programma's, met inbegrip van die welke deel zijn van een hiërarchisch geheel, beïnvloedt;
- c)de relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling;
- d)milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma;
- e)de relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de Europese Gemeenschap (bijvoorbeeld plannen en programma's in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming).
2. Kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed, in het bijzonder gelet op:
- a)de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten;
- b)de cumulatieve aard van de effecten;
- c)de grensoverschrijdende aard van de effecten;
- d)de risico's voor de menselijke veiligheid of gezondheid of voor het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen);
- e)de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden);
- f)de waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed, gelet op:
- 1)bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed;
- 2)de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden;
- 3)intensief grondgebruik;
- g)de effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de Europese Gemeenschap, dan wel in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend.
B. De criteria voor projecten overeenkomstig artikel 4.3.6 zijn:
- 1°de kenmerken van de projecten. Bij de kenmerken van de projecten moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen:
- a)de omvang en het ontwerp van het hele project;
- b)de cumulatie met andere bestaande of goedgekeurde projecten;
- c)het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit;
- d)de productie van afvalstoffen;
- e)verontreiniging en hinder;
- f)de risico’s op zware ongevallen of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis;
- g)de risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling);
- 2°de locatie van de projecten. Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen:
- a)het bestaande en goedgekeurde landgebruik;
- b)de relatieve rijkdom aan en de beschikbaarheid, de kwaliteit en het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan;
- c)het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende types van gebieden:
a. wetlands, oeverformaties en riviermondingen;
b. kustgebieden en het mariene milieu;
c. berg- en bosgebieden;
d. natuurreservaten en parken;
e. gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd;
f. Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen krachtens het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
g. gebieden waarin de milieukwaliteitsnormen die in de wetgeving van de Unie zijn vastgesteld en die relevant zijn voor het project, niet worden nagekomen of worden beschouwd als niet-nagekomen;
h. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid;
i. landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang;
- 3°de soort en de kenmerken van het potentiële effect. De mogelijke aanzienlijke milieueffecten van projecten moeten, in samenhang met de criteria, vermeld in punt 1° en 2°, in aanmerking worden genomen, met aandacht voor het effect van het project op de disciplines, vermeld in artikel 4.4.5, §1, met inachtneming van
- a)de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden);
- b)de aard van het effect;
- c)het grensoverschrijdende karakter van het effect;
- d)de intensiteit en de complexiteit van het effect;
- e)de waarschijnlijkheid van het effect;
- f)de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect;
- g)de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande of goedgekeurde projecten;
- h)de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.